De oprichter
Theo Nijhuis werd in 1916 in Olde Eibergen (een buurtschap van Eibergen) geboren als zoon van een veehouder in een groot gezin. Zijn jeugd bestond uit het helpen van zijn vader op de boerderij. Na een aantal jaren op het land te hebben gewerkt besloot Theo om in 1936 te gaan werken bij een klompenmaker. Deze klompenmaker was Wiggers uit het nabijgelegen Groenlo.
In de jaren dertig en veertig van de vorig eeuw had elk dorp wel één of meerdere klompenmakers. Maar Beltrum (een klein plaatsje tussen Eibergen en Groenlo) nog niet. Omdat Theo wilde weten wat hij zelf voor de maatschappij kon betekenen besloot hij om daar als klompenmaker aan het werk te gaan. In 1938 huurde hij zijn eerste “bedrijfruimte” aan de Dorpsstraat in Beltrum. Deze bedrijfsruimte was eigenlijk de fietsenstalling van de familie Huls.
Theo kon op dat moment ongeveer 4 paar klompen per dag produceren. Dat was te weinig om een redelijk bestaan mee op te bouwen. Hij besloot om zijn oude werkgever te benaderen om samen te werken. Klompenmaker Wiggers had namelijk toen al een machine staan waarmee hij halffabricaat klompen kon produceren. De afspraak hield in dat Theo halfabricaat klompen kocht van Klompenmaker Wiggers. Deze werden via de Geldersche Tram naar Beltrum gebracht alwaar Theo ze verder bewerkte tot het eindproduct. Op deze manier kon Theo meer produceren en verdiende daardoor meer dan voor deze samenwerking.
In 1940 trouwde Theo met Jo Meier uit Groenlo. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, drie jongens en drie meisjes.
De 2e wereldoorlog
Aan het begin van de oorlog werd Theo bezocht door Duitse militairen. Hij kreeg de mededeling dat hij niet tewerk werd gesteld in Duitsland. In ruil daarvoor moest hij klompen produceren voor de Duitsers. Theo produceerde nog steeds klompen, maar de Duitse bezetter haalde ze nooit op. Hierdoor kon hij dus zijn klompen lokaal blijven verkopen.
Met het geld wat de klompenverkoop opbracht kocht Theo in 1942 een stuk hoog gelegen (belangrijk voor een droge houtopslag) grond. Daarop bouwde hij een klompenfabriekje annex woonhuis. Op dat moment had Klompenfabriek Nijhuis 2 á 3 werknemers.
In 1943 had Theo het lumineuze idee om tabak te planten op de grond die hij niet gebruikte. Omdat 1943 een zeer mooie zomer had was de tabaksoogst groter dan verwacht. Ondernemen is vooruitzien en als iemand vooruit keek dan was het Theo wel. Hij ruilde de tabak voor klompenmachines van de klompenmachinefabriek “Hinsberger” uit Enschede. Een solide basis voor de klompenfabriek was gelegd.
Van 1950 t/m 1970
Klompenfabriek Nijhuis groeide gestaagd door. In 1955 werd samenwerking gezocht met klompenmaker Delsing in Borculo. De klompenmarkt was op dat moment op zijn hoogtepunt. Er waren tienduizenden klompenmakers die per jaar 9 miljoen paar draagklompen maakten. Tijdens die hoogtijdagen besloten drie broers uit Zwolle om klompenmakers klompen te laten produceren voor hun bedrijf. Dit bedrijf was Gevavi opgericht door de gebroeders van Vilsteren. Klompenfabriek Nijhuis heeft in die periode ook nog een half jaar geproduceerd voor Gevavi. Maar Theo wilde toch zijn eigen weg gaan.
1970 tot heden
Terwijl zijn oudste broer Jan al in de klompenfabriek werkte als boekhouder/inkoper besloot Paul Nijhuis dat hij liever iets anders wilde gaan doen. Na een opleiding MTS Elektrotechniek kreeg hij in 1973 een baan aangeboden in het Duitse Bocholt. Zijn vader vroeg hem in 1975 of hij toch, samen met zijn broer, de fabriek over wilde nemen. Na lang wikken en wegen besloot Paul dit toch te gaan doen. Na een jaar werd besloten dan Jan de inkoop en levering van het hout ging doen en Paul de dagelijkse leiding over de klompenfabriek zou nemen.
Eigenlijk bestond bij Paul al vanaf het begin de wens om de klompenfabriek, welke midden in het centrum van Betrum lag, te verplaatsen naar een grotere terrein. De fabriek kon op zijn huidige plaats niet meer uitbreiden en het vervoer van de zware boomstammen door het dorp bracht toch wel gevaarlijk situaties voort.
De locaties die de gemeente aanwees waren onacceptabel. Zo werd een bedrijfslocatie in Eibergen aangewezen, terwijl alle medewerkers uit Beltrum kwamen. Of een locatie in de buurt van Beltrum welke heel laag lag. De vochtige laaggelegen grond is voor de houtopslag funest.
Uiteindelijk heeft Paul zelf een mooi stuk hooggelegen grond gekocht aan de Grolseweg. Maar hij mocht daar van de Provinciale planologische Dienst niet bouwen. Eerst moest het officieel een industriegebied worden. En een hoge es wordt daar normaal niet voor aangewezen. Uiteindelijk heeft het tot 1980 geduurd voordat de bouw van de grootste klompenfabriek kon beginnen. Deze zaak is uitgebreid in het nieuws geweest, u kunt een flink aantal van deze artikelen terugvinden in ons nieuwsarchief.
De meeste klompenmakers verbaasden zich over het feit dat iemand zo’n grote klompenfabriek bouwde in een markt die zienderogen afnam. Maar Paul’s visie was duidelijk: Als de markt afneemt wordt het voor kleine klompenmakers steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. Daardoor moet je dus wel groeien. Uiteindelijk bleven er maar een paar klompenmakers over, waarvan Klompenfabriek Nijhuis de grootste ter wereld is.
Dat Paul gedreven is blijkt wel uit het feit dat hij 7 keer (!!) Nederlands kampioen klompen maken is geworden. Hij heeft de hele wereld rondgereisd om klompen maken te demonstreren en te promoten. In 1987 heeft hij zelfs een eigen studieboek over het klompen maken uitgebracht.